Zeg wat je te zeggen hebt! Maar hoe?
Of het nu gaat om een toespraak bij een jubileum of bruiloft, een presentatie van een rapport, een workshop of lezing: presenteren is een vak. 
Spanning is vaak het probleem bij spreken voor een gezelschap of te wel spreken in het openbaar. 
Een goede presentatie verheft de spreker boven de grijze massa en werkt als een indrukwekkend visitekaartje. Doe er uw voordeel mee!


De voorbereiding
Bij een spreekbeurt of te wel een presentaties geldt echter: een goede voorbereiding. Ga er echt even voorzitten. Schrijf puntsgewijs op wat u wilt zeggen. Echt een goede voorbereiding is meer dan het halve werk. 
Bij een de voorbereiding komen in ieder geval de volgende zaken aan bod:
- Wat is mijn doel?
- Wie is mijn publiek?
- Hoe is de organisatie rond de presentatie: de hoeveelste spreker ben ik, wie zijn de andere sprekers en waar gaat hun verhaal over? In wat voor ruimte spreek ik?
- Is het zinvol een hulpmiddel te gebruiken? Zo ja, welk? Wat ga ik vertellen?
- Heeft mijn verhaal een goede opbouw?
- Heeft de inhoud een logische en visualiseerbare structuur?
- Een gedegen voorbereiding vermindert spanning en spreekangst
 



Doel
Het doel van een presentatie kan zijn:
1. Informatieverstrekking (bijv. een college)
2. Opiniebeïnvloeding (bijv. een politieke toespraak)
3. Gedragsverandering (bijv. een verkooppresentatie) 
4. Sfeerbepaling (bijv. een jubileum of overlijden).

Publiek
Twee zaken zijn belangrijk als het om het publiek gaat: de samenstelling en de conditie.

De samenstelling is heterogeen of homogeen. Pas bij een heterogene samenstelling op voor vaktaal, en afkortingen. Gebruik zoveel mogelijk de gewone spreektaal en vermijdt schrijftaal.

De lichamelijke en geestelijke conditie van het publiek is ook van belang. Verplaats u in het publiek: hoe voelt men zich op het moment dat u spreekt, hoe zit het met de motivatie? Vraag u af: 'Wat zou ik zelf willen horen of nodig hebben op dit moment?' 

Opbouw
Een presentatie bestaat uit, zoal alles uit drie delen, te weten: het begin, het midden en einde.<

-Het begin
Dit is de inleiding tot uw eigenlijke verhaal. Hierin kunt u uzelf kort voorstellen en zeggen hoe u met vragen wenst om te gaan (tussendoor beantwoorden of na afloop). Geef ook de globale inhoud van uw presentatie. Doe niet geforceerd uw best om grappig te zijn, bijvoorbeeld door met een mop te beginnen. Het kan echter wel goed zijn te beginnen met een aandachtstrekker zoals een citaat, stelling, vraag of anekdote. Let wel: er moet altijd een relatie bestaan tussen de aandachtstrekker en het daarop volgende verhaal.

Het midden
Dit is uw feitelijke verhaal, de kern. Deze omvat minstens 80 procent van de totale presentatie. Zorg voor een heldere structuur van uw verhaal waarbij het publiek zich iets kan voorstellen, dit bevordert het begrip en stimuleert het geheugen. Maak goede tekstuele overgangen en vat tussentijds samen.

- Het einde
Hierin kunt u uw verhaal samenvatten, conclusies trekken, adviezen geven of een wens uitspreken. Besluit uw presentatie met een duidelijke, inhoudelijke slotzin, een zin die blijft hangen en indruk maakt. Daarna kunt u het publiek de gelegenheid geven tot het stellen van vragen.

Opkomst en start
- Realiseer u dat u, wanneer u ergens vanuit de zaal opkomt, altijd voor een aantal mensen 'in beeld' bent. Let dus op de indruk die u dan maakt.

In de loop naar het podium kunt u iets van uw teveel aan spanning of energie kwijt. Een energieke opkomst is dan ook aan te bevelen, maar overdrijf het niet! Concentreer u op wat u straks gaat doen.

- Op het podium aangekomen, richt u alles in zoals u het hebben wilt. Overbodige hulpmiddelen van voorgaande sprekers kunnen bijvoorbeeld aan de kant of uit beeld.

- Bepaal waar u wilt staan. Vervolgens zet u de eventuele microfoon en/of het hulpmiddel op de gewenste plek. (Verricht deze handelingen - indien mogelijk - vooraf, in een lege zaal.)

Check of alles naar behoren functioneert.
- Wanneer u klaar bent voor de start maakt u oogcontact met uw publiek. Verbreek dit oogcontact niet. Als de stilte zich door de zaal heeft verspreid, is het moment aangebroken om te gaan spreken. 

- Concentreer u op uw eerste zinnen. Vermijd, zeker bij de start, lange volzinnen. Een glimlach is niet verboden.

Slot en vertrek
- De populairste slotzin is: 'Dit was het', met als varianten 'Tot zover mijn verhaal', 'Dit was wat ik wilde zeggen', 'Ik maak er een eind aan' of 'Zijn er nog vragen ?'. Het is jammer dat veel mensen hun verhaal op deze wijze afronden. De kunst van een goede afsluiting is een sterke, inhoudelijke slotzin die geen nadrukkelijke afsluiting behoeft.

- Bedank eventueel het publiek en kijk uw laatste woorden nog even na, de zaal in. Pas dan verbreekt u het oogcontact, pakt u uw spullen en verlaat het podium.

- Vermijd zolang u in beeld bent emotionele ontladingen. Een mogelijke zucht van verlichting slaakt u elders, buiten gehoorafstand van het publiek!

- Al te vaak zien we dat sprekers bij de slotzinnen al beginnen met inpakken, in de veronderstelling dat dit duidelijk is voor het publiek: 'Dan weten ze dat ik ga afronden'. Doe dit niet! Het komt over alsof u haast hebt of u niet op uw gemak voelt en zo,snel mogelijk wilt vertrekken!
 

 

Hulpmiddelen
- Een hulpmiddel (zoals een beamer, sheets of een flip-over) mag nooit de reddingsboei voor de spreker zijn. Het is er voor het publiek. Overspoel het publiek niet met teveel tekst op sheets. De meeste mensen kunnen namelijk niet luisteren en tegelijkertijd lezen.

- Gebruik hooguit enkele steekwoorden en zorg ervoor dat ze groot afgebeeld zijn. Visualiseer uw verhaal door middel van schetsen, dia's of grafieken.

- Geef eventueel na afloop een hand-out. Kondig dit van tevoren aan zodat uw publiek geen overbodige aantekeningen maakt.

- Houd, ook wanneer u een hulpmiddel gebruikt, zoveel mogelijk oogcontact met de zaal. Kijk niet om naar het scherm.

- Een katheder is geen rollator. Blijf er dus met uw handen vanaf! Dat is beter voor uw gebaren. Leg daarom ook stiften, pen of aanwijsstok steeds weer weg.

- Blijf centraal achter de microfoon staan en neem hem niet in uw hand (behalve als u gaat zingen).

- Raak niet in paniek wanneer het hulpmiddel uitvalt of ontbreekt. Er is niets aan de hand: het is slechts een hulpmiddel. Uw presentatie gaat gewoon verder. Soms wordt deze er zelfs beter van.

Stemgebruik
Vijf elementen zijn bepalend voor een boeiende stem:
Volume
Volumewisseling is belangrijk, hierbij spelen ademhaling en ontspanning van de stembanden een belangrijke rol.
Articulatie U hoeft niet altijd alle letters uit te spreken; de 'n' aan het eind van meervouden en werkwoordsvormen bijvoorbeeld, mag hier en daar wegvallen. Gemompel en het inslikken van lettergrepen zijn echter uit den boze.

Tempo
Hier geldt: niet te snel en niet te langzaam. Onder spanning zijn sprekers meestal tempobeulen. Afwisseling in spreektempo zorgt voor meer dynamiek.

Timing
Hier gaat het om de spreekpauzes in de tekst, met name na een komma, puntkomma, dubbele punt, punt, vraag- en uitroepteken. Korte stiltes zijn belangrijk, de inhoud kan dan bezinken. Bovendien zijn korte zinnen, waarna een korte pauze valt, heel overtuigend. Als u iets wilt beklemtonen, dan is een korte pauze voor de betreffende lettergreep waar de klemtoon op valt, heel effectief.

Intonatie
De stemmelodie wordt gevormd door toonhoogteverschillen en accenten. Lage tonen dragen verder dan hoge tonen. Een gebrek aan intonatie maakt een presentatie monotoon.

Non-verbale expressie
Geluidloze expressie wordt gevormd door houding, oogcontact, gebaren en mimiek.  Houding
Uitdrukkingen die hierop slaan zijn: 'Stevig in je schoenen staan' en 'achter je verhaal staan'. Zet uw voeten licht gespreid (heupbreedte) neer, maak volledig voetzoolcontact met de vloer en zet uw knieën niet op slot. Sta recht. Ga niet lopen ijsberen.

Oogcontact
Kijk mensen echt aan. Flits niet schichtig (vanuit uw ooghoeken) heen en weer. Oogcontact met iemand mag best een paar seconden duren. Bestrijk de hele zaal. Als u voor een grote groep mensen spreekt, maak dan oogcontact met een beperkt aantal, wisselende mensen uit het publiek, waardoor u wel de indruk wekt de hele zaal aan te kijken.

Gebaren
Gebaren kunnen, bij een rustig tempo, de tekst ondersteunen. Duw uw bovenarmen niet tegen uw romp. Oefen thuis met gebaren bij gesproken tekst, al dan niet voor de spiegel, net als een acteur.

Mimiek
Dit is ons belangrijkste expressiemiddel. Mimiek maakt u met uw oog-, wenkbrauwen mondspieren. Ons gezicht spreekt boekdelen, maar blijft bij presentaties vaak jammerlijk op slot. Oefenen voor de spiegel of een warming-up voor het losmaken van de gezichtspieren kan helpen.

Spanning
Probeer uzelf een goed advies te geven of een hart onder de riem te steken, zoals u dat ook bij een ander zou doen.
- Kijk uit voor allerlei rampfantasieën. De perfecte toespraak bestaat niet. Feilbaar zijn we allemaal. Als u niet meer weet waar u gebleven bent, kunt u het aan uw publiek vragen. Niet vergeten dat u na afloop gewoon weer thuis komt eten!

- Doe Vooraf iets aan fysieke ontspanning: warming-up. Sporters doen het, acteurs en cabaretiers eveneens. Dus waarom wij, sprekers, niet? U neemt tenslotte uw lichaam mee het podium op. Er zijn allerlei eenvoudige oefeningen om de voeten, benen, armen en handen, nek en schouders, en het gezicht 'los te maken'. Tip: ontspanning door inspanning.

- Probeer, ondanks de spanning, buikademhaling te ontwikkelen. Deze bevordert ook (weer) de geestelijke rust, mits u zich goed hebt voorbereid natuurlijk. Korte zinnen en een rustig tempo geven u de broodnodige adempauze.

Omgaan met vragen
Laat uw publiek vooraf weten hoe u om wenst te gaan met vragen: tijdens uw presentatie of na afloop. Bent u iemand die opbloeit bij af en toe een dialoog met het publiek of leiden vragen u af van uw verhaal? De keuze is persoonlijk.

Als u een vinger in de lucht ziet, trek dan niet meteen de stekker uit uw betoog, maar maak eerst uw zin of alinea af. Maak de betreffende persoon wel meteen duidelijk (d.m.v. een gebaar of woord) dat u zijn intentie gezien hebt. Nadat de vraag gesteld is, doorloopt u de volgende 3 stappen:

1 Herhaal de korte vraag of vat de lange vraag samen
(en check of deze klopt)
2 Beantwoord de vraag 
3 Vraag of uw antwoord voldoende of duidelijk is.

Tijdens uw antwoord maakt u ook weer oogcontact met de rest van het publiek, niet alleen met degene die de vraag stelde. Geen 1-2-tjes, dus.

Als u een vraag krijgt die u niet kunt beantwoorden, zeg dat dan eerlijk en vraag vervolgens of iemand in de zaal misschien het antwoord weet.

Wanneer zich naar aanleiding van een vraag een discussie ontspint en u verder wilt met uw verhaal, grijp dan zo snel mogelijk in en stel voor om na afloop van uw presentatie de discussie voort te zetten.

Omgaan met lastige situaties
Er kan tijdens uw presentatie allerlei ruis optreden. Zodra u daar last van krijgt, geldt het principe: negeer niet wat u niet kunt negeren. Anders gezegd: doe er wat mee. Probeer bij ruis die bulten de zaal ontstaat de oorzaak weg te nemen of wacht tot het voorbij is (bijvoorbeeld overvliegende vliegtuigen). Bij ruis die in de zaal ontstaat, hebt u grofweg twee soorten menselijke stoorzenders: de kletsers en de criticasters.

Het 'aanpakken' van de kletsers gaat, bij herhaling, volgens een stapsgewijs, assertief procédé: 1. Maak oogcontact terwijl u doorpraat
2. Houd oogcontact, zwijg even en vraag of ze misschien iets willen vragen
3. Stop met uw verhaal en zeg er wat van:
- Vertel op een zo neutraal en objectief mogelijke toon wat u waarneemt
- Zeg wat het met u doet (effect op uw concentratie)
- Doe een voorstel (bijvoorbeeld om het onderlinge overleg te staken tot na uw verhaal)
- Vraag om akkoord ('Afgesproken?', 'Oké?')
- Vervolg uw verhaal
4. Herhaal stap 3, maar nu met een wat strengere mimiek en intonatie
5. Geef, als u zo echt niet langer meer verder kunt, twee opties, nl.:
een absolute garantie tot stilzwijgen óf voortzetten van het onderlinge gesprek buiten de presentatieruimte. U wacht in het laatste geval totdat de betreffende personen de ruimte hebben verlaten. (Geef geen trap na - bijvoorbeeld door te zeggen: 'Opgeruimd staat netjes' - maar praat rustig verder.)

Omgaan met lastige situaties
Stoorzenders zijn lastig. Als we iets lastig vinden, hebben we vaak de neiging dit te negeren (subassertieve reactie) of geïrriteerd ons ongenoegen te uiten (agressieve reactie). Het eerste is een zwaktebod en bij het tweede verspeelt u uw goodwill. Vermijd daarom de volgende uitspraken: 'Als u het beter meent te weten, dan mag u na mijn betoog hier komen staan', 'Ik spreek u wel na afloop!' of 'Kop dicht of oprotten!
Voor een criticaster gelden de stappen 3, 4 en 5, uiteraard met aangepaste tekst:
3. Stop met uw verhaal en zeg er wat van:
- Vertel op een zo neutraal en objectief mogelijke toon wat u waarneemt
- Zeg wat het met u doet (effect op uw concentratie)
- Doe een voorstel (bijvoorbeeld om de kritiek te bewaren tot na uw verhaal)
- Vraag om akkoord ('Afgesproken?', 'Oké?')
- Vervolg uw verhaal
4. Herhaal stap 3, maar nu met een wat strengere mimiek en intonatie
5. Geef, als u zo echt niet langer meer verder kunt, twee opties, zoals:
'Het is mij inmiddels duidelijk dat u het niet met mij eens bent en dat mijn verhaal een kwelling voor uw oren is. Ik verzoek u echter nogmaals mij niet meer te onderbreken, óf, wanneer u mij dat niet kunt garanderen, de zaal te verlaten zodat we elkaar niet meer in de weg zitten.'

Tot slot
Spreken in het openbaar is een bijzondere combinatie van acteren, doceren en regisseren. Het is een activiteit die zeer gekunsteld is en verre van spontaan. De spreker staat, het publiek zit, er voor een bepaalde tijd sprake van een monoloog. En dat is spannend. Gelukkig mag de spreker - in tegenstelling tot acteurs en cabaretiers - spieken. Net als cabaretiers hebben sprekers oogcontact met hun publiek; acteurs niet.

Omdat het geven van een presentatie lang niet voor iedereen is weggelegd, is het een eervolle taak en een dappere bovendien, want de meeste mensen lopen ervoor weg.

Naast een goede voorbereiding en inhoud van een presentatie, is de bevlogenheid van de spreker van essentieel belang.

Voor mensen die uit hoofde van hun beroep veel moeten spreken: predikanten, politici, wetenschappers enz. is het volgen van een cursus “Spreken in het openbaar” eigenlijk een must.